Ontsteking

Ons beschermingsmechanisme

 

Een ontsteking, ook wel inflammatie genoemd (van het Latijn: inflammatio) maakt deel uit van de complexe biologische reactie van lichaamsweefsels op schadelijke prikkels (stimuli), zoals ziektekiemen (pathogenen), beschadigde cellen of irriterende stoffen, en is een beschermende reactie die immuuncellen, bloedvaten en moleculaire mediatoren (zie verder) omvat. De functie van ontsteking is het verwijderen van de oorspronkelijke oorzaak van celbeschadiging, het opruimen van afgestorven (necrotische) cellen en weefsels die door de oorspronkelijke beschadiging én het ontstekingsproces zelf beschadigd zijn geraakt, met als laatste onderdeel het starten van weefselherstel.

Ontsteking wordt beschouwd als een mechanisme van aangeboren immuniteit. Dit in tegenstelling tot adaptieve immuniteit - die specifiek is voor elk pathogeen – waarbij het lichaam het pathogeen eerst moet leren (her)kennen voordat het de ontstekingsreactie kan starten. Te weinig ontsteking zou kunnen leiden tot progressieve weefselvernietiging door de schadelijke stimulus (bijvoorbeeld bacteriën) en de overleving van het organisme in gevaar brengen. Daarentegen kan chronische ontsteking leiden tot een groot aantal ziekten, zoals hooikoorts, atherosclerose, reumatoïde artritis en zelfs kanker (bijvoorbeeld galblaascarcinoom). Ontsteking wordt daarom normaal gesproken nauwgezet door het lichaam gecontroleerd en gereguleerd.

Het ontstekingsproces is een uiterst complex systeem met verschillende cellulaire-, vasculaire-, immunologische componenten. Een volledige behandeling hiervan zou zijn doel hier voorbij schieten. Daarom zullen we het slechts kort en hopelijk overzichtelijk beschrijven.


Acute- of chronische ontsteking

Een ontsteking kan worden ingedeeld in acuut of chronisch.  

Een acute ontsteking is de oorspronkelijke reactie van het lichaam op schadelijke stimuli en wordt bereikt door de verhoogde verplaatsing van bloedplasma en witte bloedlichaampjes (leukocyten) - vooral granulocyten - van het bloed naar de beschadigde weefsels. Een reeks biochemische gebeurtenissen verspreidt zich en rijpt de ontstekingsreactie, waarbij het lokale vasculaire systeem, het immuunsysteem en verschillende cellen in het beschadigde weefsel zijn betrokken. 

De acute ontsteking treedt direct na de beschadiging op en duurt meestal niet langer dan enkele dagen. Wanneer de ontsteking - door een of andere oorzaak - langer duurt, dan spreekt men van een chronische ontsteking.

Een chronische ontsteking leidt tot een geleidelijke verschuiving in het type cellen dat op de plaats van ontsteking aanwezig is, zoals mononucleaire cellen, en wordt gekenmerkt door gelijktijdige vernietiging en genezing van het weefsel van het ontstekingsproces.


Ontsteking of infectie?

De begrippen ontsteking en infectie worden nogal eens door elkaar gehaald. Ontsteking is echter niet hetzelfde als infectie! Daarom is het goed om hier even bij stil te staan en het onderscheid aan te geven.

Een ontsteking (inflammatie) is de immunovasculaire reactie van het lichaam op beschadiging van weefsel of op prikkels van buiten. Dit kan door bijvoorbeeld chemische prikkels (irriterende stoffen enz.) en/of fysische prikkels (hitte, ioniserende straling, UV-straling etc.), maar kan ook het gevolg zijn van een auto-immuunreactie van het lichaam zoals onder meer bij reuma kan voorkomen. Een ontsteking heeft als doel het verwijderen van de schadelijke bron en het herstellen van de schade.

Een infectie beschrijft de interactie tussen een microbiële invasie (bacteriën, virussen, schimmels, parasieten) en de daardoor opgeroepen ontstekingsreactie van het lichaam - deze twee componenten worden samen beschouwd bij het bespreken van een infectie. Van een infectie is dus pas sprake als er een besmetting (contaminatie) van het lichaam met een microbiologische prikkel heeft plaatsgevonden en deze het lichaam binnengedrongen is. (Een meer uitgebreide beschrijving van infectie vindt u hier ).

Maar de medische wereld maakt het ons ook niet gemakkelijk. Zo worden woorden die eindigen op het achtervoegsel -itis (die verwijzen naar ontsteking) soms informeel gebruikt als een verwijzing naar een infectie. Bijvoorbeeld, het woord cystitis betekent strikt genomen alleen "ontsteking van de urineblaas", maar artsen bedoelen met cystitis meestal een “infectie van de urineblaas” omdat een microbiële invasie de meest voorkomende oorzaak van cystitis is.


Oorzaken van ontstekingsreactie

Fysisch

  • brandwonden (hitte)
  • bevriezing (koude)
  • lichamelijk letsel, stomp of penetrerend (trauma)
  • vreemde voorwerpen, inclusief splinters, vuil en puin (corpus alienum)
  • ioniserende straling, UV-straling

Biologisch

  • infectie door pathogenen (bacteriën, virussen, schimmels, parasieten, insectenbeet)
  • immuunreacties als gevolg van overgevoeligheid
  • auto-immuunreactie van het lichaam zoals onder meer bij reuma
  • stress

Chemisch

  • irriterende stoffen
  • gifstoffen (toxines)
  • alcohol

Psychisch

  • hevige opwinding


Symptomen van ontsteking

Een acute ontsteking is een kortdurend proces dat meestal binnen enkele minuten of uren optreedt en al stopt na het verwijderen van de schadelijke prikkel. Het betreft een gecoördineerde en systemische mobilisatiereactie van verschillende immuun-, endocriene en neurologische mediatoren van acute ontsteking. Bij een normale gezonde reactie wordt de ontstekingsreactie geactiveerd, wordt de ziekteverwekker verwijderd, begint een reparatieproces en vervolgens stopt de ontstekingsreactie. 

Het ontstekingsproces wordt door vijf symptomen gekenmerkt. De traditionele termen voor de symptomen van ontsteking komen uit het Latijn:

  • rubor (roodheid)
  • calor (warmte)
  • dolor (pijn)
  • tumor (zwelling)
  • functio laesa (functieverlies)

Deze vijf kenmerken treden vooral op bij een acute ontsteking en minder of niet bij een chronische ontsteking.

De eerste vier symptomen werden reeds door de Romein Aulus Cornelius Celsus (ca. 25 v.Chr - 50 n.Chr.) in zijn De Medicina beschreven, terwijl het symptoom functieverlies waarschijnlijk later door de Grieks/Romeinse arts Galenus van Pergamon (130 - 210) toegevoegd werd. Deze symptomen werden door nauwkeurig waarnemen opgesteld en hebben nu – 2000 jaar later – hun geldigheid nog steeds behouden!


Fasen van ontsteking

Het proces van acute ontsteking wordt gestart door immuuncellen die al in het betrokken weefsel aanwezig zijn, voornamelijk macrofagen, dendritische cellen, histiocyten, Kupffer-cellen en mestcellen. Deze cellen bezitten oppervlakte-receptoren die bekend zijn als zogenaamde patroonherkenningsreceptoren (PRR's), die twee subklassen van moleculen herkennen (d.w.z. binden): de pathogeen-geassocieerde moleculaire patronen (PAMP’s) en schade-geassocieerde moleculaire patronen (DAMP’s). PAMP's zijn verbindingen die geassocieerd zijn met verschillende pathogenen, maar die te onderscheiden zijn van de moleculen van het eigen lichaam. Ze signaleren dus ‘lichaamsvreemd’. DAMP's zijn verbindingen die geassocieerd zijn met letsel en celbeschadiging van het eigen lichaam, en signaleren dus ‘lichaamseigen’.

Als de patroonherkenningsreceptoren (PRR's) op de celwanden van deze immuuncellen zich binden aan PAMP’s (pathogeen, dus lichaamsvreemd) en/of DAMP’s (aan de gastheer gerelateerd letsel en celbeschadiging, dus lichaamseigen) geven de immuuncellen als reactie daarop ontstekingsmediatoren af die verantwoordelijk zijn voor de klinische tekenen van ontsteking.

Een mediator is een lichaamseigen stof die bij een afweerreactie van het lichaam vrijkomt. Mediatoren kunnen verschillende functies hebben en in bepaalde categorieën ingedeeld worden, zoals:

  • ontstekingsmediatoren
  • mediatoren die witte bloedcellen stimuleren
  • vaatverwijdende mediatoren (vasodilatatie)

Ontstekingsmediatoren zijn stoffen die worden uitgestoten als een ontstekingsreactie moet worden opgewekt. Een van de bekendste ontstekingsmediatoren is histamine, geproduceerd door de mest- of mastcellen.

Een acute ontsteking is dus een zogenaamde immunovasculaire reactie op een ontstekingsstimulus. Dit betekent dat acute ontsteking grofweg kan worden onderverdeeld in een vasculaire fase die het eerst voorkomt, gevolgd door een cellulaire fase. De vasculaire component van acute ontsteking omvat de beweging van plasmavloeistof, die belangrijke eiwitten zoals fibrine en antilichamen (immunoglobulinen) bevat, vanuit de bloedvaten naar het ontstoken weefsel. De cellulaire component omvat de verplaatsing van witte bloedcellen (leukocyten) naar de ontstekingsplaats. 


De release van ontstekingsmediatoren heeft achtereenvolgens tot gevolg:

hyperemie: versterkte doorbloeding. Hyperemie wordt veroorzaakt door vaatverwijdende stoffen (vasoactieve mediatoren), waarvan histamine en bradykinine de belangrijkste zijn. Aan de veneuze kant van de haarvaten ontstaat een verhoogde doorbloeding en door de vaatverwijding wordt de “flow” (stroomsnelheid) van het bloed verlaagd. Doordat er meer bloed in het ontstoken gebied komt, zal het weefsel roodgekleurd (rubor) en warm (calor) worden.

exsudatie: uittreden van vocht uit de bloedbaan als gevolg van een verhoogde doorlaatbaarheid (permeabiliteit) van de vaatwand van de haarvaten. Ook dit vindt plaats onder invloed van histamine en bradykinine, die dus niet alleen voor hyperemie, maar ook voor exsudatie zorgen. De openingen tussen de endotheelcellen in de vaatwand worden door de vasoactieve mediatoren groter en ook de (hydrostatische) druk in de capillairen stijgt, waardoor er meer vocht de bloedvaten verlaat dan normaal. Door de verhoogde permeabiliteit verlaten ook eiwitten de bloedbaan, die vocht in de weefsels vasthouden. Dit betekent dat er meer vocht in het ontstoken weefsel achterblijft, wat ontstekingsoedeem genoemd wordt. Meer weefselvocht betekent dat er een zwelling optreedt bij de ontsteking: tumor.

infiltratie (of diapedese) van witte bloedcellen (leukocyten) uit de bloedbaan ter plaatse van de ontsteking. Als eerste leukocyten treden de granulocyten uit (na 24-48 uur) en daarna de monocyten of macrofagen en de plasmacellen. Dit gebeurt onder invloed van bepaalde stoffen (cytokines), die worden afgegeven door de endotheelcellen in de vaatwanden en door cellen bij de ontstekingshaard (bacteriën of beschadigde eigen cellen). De leukocyten zorgen in het ontstoken weefsel voor het afbreken en verwijderen van dode cellen en ziekteverwekkers. Bij een ontsteking zijn dus verschillende typen leukocyten bezig in het weefsel waardoor er dus sprake is van een verhoogde cellulaire activiteit. Dit heeft een verhoogd energieverbruik en warmteproductie in het ontstoken weefsel als gevolg. Dit is te merken als één van de vijf ontstekingskenmerken, namelijk calor.

celgroei: groei van onder andere fibroblasten (de belangrijkste cel van het bindweefsel) met regeneratie en herstel van het weefsel als doel. Roodheid kan ook in deze fase optreden wanneer onder invloed van groeifactoren uitgroei van bloedvaatjes in het weefsel plaatsvindt. Hierdoor krijgt het herstellende weefsel, ook wel granulatieweefsel genoemd, een rood aspect: rubor. Granulatieweefsel dankt haar naam aan het feit dat dit weefsel een korrelig uiterlijk heeft. Het Latijnse woord voor korrels is granulae.


Regeneratie

Soms kan het aangetaste weefsel hersteld worden tot de oorspronkelijke staat, maar vaak is dat echter niet mogelijk omdat het weefsel geen regeneratiecapaciteit heeft, of omdat de regeneratiecapaciteit niet voldoende is om alle schade te herstellen. In dat geval zal het beschadigde weefsel vervangen worden door bindweefsel, wat als een litteken te zien is. Het ontstaan van littekenweefsel na genezing van een ontstekingsreactie is dus afhankelijk van de weefselregeneratie, wat bepaald wordt door het type cellen: 

  • Labiele cellen (onder andere de huidcellen (epitheelcellen) delen voortdurend en hebben daardoor een grote regeneratiecapaciteit 
  • Stabiele cellen (onder andere endotheelcellen, gladde spiercellen, niercellen en levercellen) delen normaal gesproken niet, maar bij beschadiging van omliggend weefsel komen ze wel in de celcyclus terecht. Deze cellen hebben dus ook een goede regeneratiecapaciteit 
  • Permanente cellen (onder andere de zenuwcellen (neuronen) en de dwarsgestreepte spiercellen van het skelet en het hart) kunnen niet delen en hebben dus ook geen regeneratiecapaciteit. Bij deze cellen zal bij beschadiging dus vervanging van oorspronkelijk weefsel in bindweefsel plaatsvinden, wat kan leiden tot functieverlies


Functieverlies

Het functieverlies (functio laesa) hoeft niet alleen door vervanging van oorspronkelijk weefsel door bindweefsel veroorzaakt te worden. Tijdens de ontsteking zal het ontstoken gebied niet gebruikt worden omdat het door de zwelling niet mogelijk is. Daarnaast is het verlies van functie ook het gevolg van een neurologische reflex als reactie op pijn: dolor.


Pijn

De pijn (dolor) die bij een ontsteking optreedt wordt door twee factoren veroorzaakt. Ten eerste is er een lokale zwelling vanwege het ontstekingsoedeem. De zwelling zal betekenen dat er druk wordt uitgeoefend op het ontstoken weefsel en het omliggende weefsel, met als gevolg dat pijnreceptoren geprikkeld worden. Daarnaast werken ook de stoffen bradykinine en prostaglandinen in op sensorische receptoren, die daardoor pijn registreren. (Een meer uitgebreide beschrijving van pijn vindt u hier ).


Behandeling

Ontstekingen kunnen bestreden worden met ontstekingsremmende middelen. Vaak worden deze al toegepast voordat de oorzaak van de ontsteking weg is, om de symptomen (waaronder pijn) weg te nemen.

Ontstekingsremmers (anti-inflammatoire preparaten) worden ook wel antiflogistica genoemd. Ontstekingsremmende middelen worden onderscheiden in steroïde- en niet-steroïde ontstekingsremmers (NSAID's). 


NSAID’s

De afkorting NSAID’s staat voor Non-Steroïd Anti-Inflammatory Drugs. De bekendste tot deze niet-steroïde ontstekingsremmers behorende middelen zijn onder andere: acetylsalicylzuur (Aspirine), ibuprofen en naproxen.


Steroïde ontstekingsremmers 

Steroïde ontstekingsremmers behoren tot de groep van de corticosteroïden. Corticosteroïden zijn steroïdhormonen die in de buitenste zone (de cortex) van de bijnieren geproduceerd worden. Deze groep van stoffen onderdrukt diverse lichamelijke reacties bij ontstekingen en infecties. Voorbeelden hiervan zijn onder andere: prednison, prednisolon en triamcinolon.

 


Kom hier meer te weten over enkele gerelateerde onderwerpen:

 

Onze website maakt gebruik van cookies. Als u de website blijft gebruiken, gaat u hiermee akkoord.

Meer te weten komenOK