De geschiedenis van de chirurgie

Van trepanatie naar robotische- en computergestuurde chirurgie

 

Oorsprong

De eerste chirurgische technieken werden ontwikkeld om verwondingen en trauma's te behandelen. Een combinatie van archeologische en antropologische studies biedt inzicht in de vroege technieken van de mens voor het hechten van snijwonden, het amputeren van niet meer te genezen ledematen en het draineren en dichtbranden van open wonden. Er zijn veel voorbeelden: 

  • sommige Aziatische stammen gebruikten een mix van salpeter en zwavel die op wonden werd geplaatst en in brand werd gestoken om wonden dicht te schroeien
  • de Dakota-mensen gebruikten de slagpen van een veer bevestigd aan een dierlijke blaas om etterig materiaal uit te zuigen
  • de ontdekking van naalden uit het stenen tijdperk lijkt te suggereren dat ze bij het hechten van sneden werden gebruikt
  • de Maasai gebruikten naalden van de acacia voor hetzelfde doel
  • stammen in India en Zuid-Amerika ontwikkelden een ingenieuze methode om kleine verwondingen af te sluiten door termieten of scarabeeën toe te passen die in de randen van de wond tezamen beten en waarbij vervolgens de nek van de insecten verdraaid werd, waarbij hun hoofden zo vast als 'nietjes' bleven zitten

 

Eerste chirurgische technieken

Trepanatie

De oudste operatie waarvoor bewijs bestaat, is de zogenaamde trepanatie (van de Griekse woorden trypanon; boor, en trypanismós; wetsteen), waarbij een gat in de schedel wordt geboord of geschraapt, om het harde hersenvlies (de dura mater) bloot te leggen om de gezondheidsproblemen gerelateerd aan een verhoogde druk binnen de schedel (verhoogde intracraniale druk) en andere ziekten te kunnen behandelen. Ook is het niet onwaarschijnlijk dat het verdrijven van kwaadaardige geesten en demonen de bedoeling is geweest.

Van de 120 prehistorische schedels, gevonden op een begraafplaats in Frankrijk daterend uit 6500 v.Chr., hadden er 40 trepanatiegaten. Bij opgravingen van de oevers van de Dnjepr in de jaren 1970 werd het bestaan van trepanatie in Mesolithische tijden uit ongeveer 12.000 v.Chr aangetoond. De overblijfselen suggereren een geloof dat trepanatie epileptische aanvallen, migraine en bepaalde mentale stoornissen zou kunnen genezen. 

Er is overtuigend bewijs van genezing na zo’n ingreep omdat nieuw bot aan de botranden gegroeid was, wat aangeeft dat sommigen hun operatie overleefd hadden. In enkele studies bleek deze overlevingskans zelfs 50%.

 

Botbreuken behandelen

Voorbeelden van genezen fracturen (breuken) in prehistorische menselijke botten suggereert dat het plaatsen van spalken al vroeg bekend was. Onder de behandelingen die door de Azteken werden verricht, bestond - volgens de Spaanse teksten tijdens de verovering van Mexico - ook de behandeling van fracturen: "... het gebroken bot moest worden uitgerekt, rechtgezet en gespalkt. En als dit niet voldoende was, werd een incisie aan het einde van het bot gemaakt, en werd een tak van een spar in de holte van het beenmerg (de medulla) ingevoegd ... " Moderne geneeskunde ontwikkelde in de 20e eeuw een met deze vergelijkbare techniek, bekend als medullaire fixatie.
 

Aderlatingen 

Aderlaten is een van de oudste medische praktijken die onder verschillende oude volkeren, waaronder de Mesopotamiërs, de Egyptenaren, de Grieken, de Maya's en de Azteken beoefend werd. Bij het aderlaten wordt een bloedzuiger (de Hirudo medicinalis) op een vene (ader) geplaatst, waarna deze zich met het bloed uit die ader volzuigt en zich vervolgens laat vallen. In Griekenland werd het aderlaten rond de tijd van Hippocrates van Cos (460 - 370 v.Chr.) gebruikt. Hij maakte melding van aderlating, maar hij zette zelf vooral in op het toepassen van voedingstechnieken. Erasistratus van Ceos (ca. 304 – 250 v.Chr.) echter, theoretiseerde dat veel ziekten werden veroorzaakt door plethoras, oftewel overvloed, in het bloed, en adviseerde dat deze plethoras – aanvankelijk - door oefening, zweten, verminderde voedselopname en braken moest worden behandeld. Herophilus van Chalcedon (ca. 335 – 280 v.Chr.) pleitte vurig voor aderlatingen. Archagathus (? – 307 v.Chr.), een van de eerste in Rome  praktiserende Griekse artsen, beoefende het aderlaten uitvoerig. De kunst van aderlatingen werd in het Westen erg populair, en tijdens de Renaissance kon men kalenders vinden die geschikte perioden aangaven om gedurende het jaar aderlatingen te laten verrichten. Ook verschenen er boeken die beweerden dat aderlaten ontstekingen, infecties, beroertes, manische psychose en meer zou kunnen genezen.

 

Chirurgie in de oudheid

Mesopotamië

De Sumeriërs zagen ziekte als een goddelijke straf opgelegd door verschillende demonen als een persoon een regel brak. Om deze reden moest men, om een arts te zijn, ongeveer 6.000 mogelijke demonen leren te identificeren die gezondheidsproblemen zouden kunnen veroorzaken. 
Om dit te kunnen doen, gebruikten de Sumeriërs waarzeggingstechnieken gebaseerd op de vlucht van vogels, de positie van de sterren en de levers van bepaalde dieren. Op deze manier was de geneeskunde nauw verbonden met priesters.

Niettemin ontwikkelden de Sumeriërs een aantal belangrijke medische technieken: in Nineve hebben archeologen bronzen instrumenten met geslepen obsidiaan ontdekt die op onze hedendaagse scalpels en messen etc. lijken. De Codex van Hammurabi, de eerste Babylonische codex van wetten, bevat zelfs specifieke wetgeving die de schadevergoeding voor slachtoffers reguleert als compensatie voor medische wanpraktijken van chirurgen.


Egypte
Rond 3100 v.Chr. begon de Egyptische beschaving op te bloeien toen Narmer, de eerste farao van Egypte, de hoofdstad Memphis vestigde. Net zoals spijkerschrifttabletten de kennis van de oude Sumeriërs bewaarden, behielden hiërogliefen de Egyptische kennis.

In het eerste monarchistische tijdperk (2700 v.Chr.) werd de eerste verhandeling over chirurgie geschreven door Imhotep, de vizier van farao Djoser, priester, astronoom, arts en vooraanstaand architect. Hij was zo beroemd vanwege zijn medische vaardigheden dat hij de Egyptische god van de geneeskunde werd. Andere beroemde artsen uit het oude rijk (van 2500 tot 2100 v.Chr.) waren Sachmet, de arts van farao Sahure, en Nesmenau, wiens kantoor zelfs leek op dat van een medisch directeur.

Op een van de deuren van de Tempel van Memphis staat de eerste geregistreerde gravure van een medische ingreep: de besnijdenis. En gravures in Kom Ombo tonen zelfs chirurgische hulpmiddelen

De Egyptenaren bewezen hun kennis van de anatomie door het mummificeren van menselijke- en dierlijke lichamen. Bij het balsemen werden de belangrijkste organen verwijderd en in aparte vazen opgeborgen.

Dat balsemen in het oude Egypte zelfs van vóór de farao's dateert, onthult een oude mummie. Dat zou betekenen dat de beoefening minstens 1500 jaar eerder begon dan ooit werd gedacht. In het Journal of Archaeological Science van augustus 2018 wordt melding gemaakt van de vondst van een mummie - een volwassen man in foetushouding - uit de oude zuidelijke stad Gebelein aan de rivier de Nijl. Hij was ongeveer 20 tot 30 jaar oud toen hij stierf, en is ongeveer 6.000 jaar oud, wat hem volgens de studie in de periode van 3700 voor v.Chr. tot 3500 v.Chr. plaatst.

De mummie is zo oud dat deze zelfs ouder is dan de geschreven taal (het vroegst bekende bewijs van schrijfdata tot ongeveer 3400 v.Chr.). Dus, het is waarschijnlijk dat de balseminstructies mondeling werden bewaard en door generaties doorgegeven werden.

Uit archeologische opgravingen weten we nu dat Egyptische chirurgen reeds uitgebreid gebruik maakten van chirurgische instrumenten zoals klemmen, sondes, zagen, pincetten, scalpels en scharen. Ook waren ze bekend met het gebruik van hechtingen en cauterisatie (het dichtbranden van open wonden). 

In het oude Egypte behandelden chirurgen (oorlogs)wonden en gebroken botten en kwamen ze in aanraking met steenpuisten en abcessen. Ze hadden ontdekt dat honing hielp voorkomen dat wonden geïnfecteerd raakten. (Honing is een natuurlijk antisepticum). Ook pakten ze wonden met wilgenschors in, wat hetzelfde effect heeft.

De Ebers Papyrus, genoemd naar zijn ontdekker Georg Ebers, wordt beschouwd als een van de oudste verslagen over de geneeskunde én een van de belangrijkste medische papyri. De tekst is van ongeveer 1550 voor Christus en meet 20 meter lang. Het bevat recepten en beschrijvingen van tal van ziekten, evenals cosmetische behandelingen. Het vermeldt hoe krokodilbeten en ernstige brandwonden moeten worden behandeld, waarbij de drainage van met pus gevulde ontsteking wordt aanbevolen.

De Edwin Smith Papyrus dateert uit de jaren 1600 voor Christus en is slechts 5 meter lang. Het is een handleiding voor het uitvoeren van chirurgie en geeft 48 case-geschiedenissen. Het beschrijft de behandeling van een gebroken neus en het gebruik van hechtingen om wonden te sluiten. Infecties werden met honing behandeld.


India
Archeologen hebben ontdekt dat de beschaving van de Indus vallei, zelfs vanaf de vroege Harappan-periode (ca. 3300 v.Chr.), kennis hadden van medicijnen en tandheelkunde. Later onderzoek in hetzelfde gebied vond zelfs bewijs van geboorde tanden, daterend uit 9.000 jaar tot 7000 v.Chr.

Uit diverse overgeleverde geschriften is duidelijk geworden dat chirurgen in India zeer bekwaam waren. Ze waren de pioniers op het gebied van de plastische chirurgie. Zo voerden ze operaties uit om de neus te kunnen reconstrueren. Ver voor Christus bestonden er in India en Sri Lanka al ziekenhuizen.

Sushruta, of Suśruta (ca. 600 v.Chr.) wordt beschouwd als de 'grondlegger van de chirurgie’. Een van de vroegst bekende vermelding van zijn naam is van het Bower Manuscript waar Sushruta wordt vermeld als een van de tien wijzen die in de Himalaya's verblijven. Teksten suggereren ook dat hij in Kasi chirurgie leerde van Dhanvantari, de god van de geneeskunde in de Hindoemythologie. Deze was een vroege vernieuwer van plastische chirurgie aan de oevers van de Ganges in Noord-India. Veel van wat bekend is over Sushruta is in het Sanskriet opgenomen in een reeks volumes die hij schreef, die samen bekend staan als Het Compendium van Suśruta. Het is een van de oudst bekende chirurgische teksten en beschrijft in detail het onderzoek, de diagnose, de behandeling en de prognose van tal van aandoeningen, evenals procedures voor het uitvoeren van verschillende vormen van cosmetische chirurgie, plastische chirurgie en neuscorrectie.


Griekenland en de Hellenistische wereld
Chirurgen worden nu als gespecialiseerde artsen beschouwd. Maar in het begin van de oude Griekse wereld moest een getrainde arts zijn handen gebruiken om alle medische en geneeskundige processen met inbegrip van bijvoorbeeld het behandelen van wonden opgelopen op het slagveld uit te voeren of de behandeling van gebroken botten te verrichten. Het woord chirurgie (cheirourgia) stamt immers van het Griekse cheir, "hand" en ergon, "werk"; dus handwerk.

In de Ilias noemt Homerus twee artsen, "de twee zonen van Asclepius, de bewonderenswaardige artsen Podaleirius en Machaon, en één waarnemend arts, Patroclus. Omdat Machaon gewond is en Podaleirius in een gevecht gewikkeld is, vraagt Eurypylus aan Patroclus "deze pijl uit mijn dij te snijden, het bloed met heet water af te wassen en verzachtende zalf op de wonde te verdelen."

De Eed van Hippocrates, geschreven door Hippocrates van Cos (460 - 370 v.Chr.), ‘de grondlegger van de westerse geneeskunde’, vormt het vroegste protocol voor professioneel- en ethisch gedrag waaraan een jonge arts zich tijdens zijn leven en bij het behandelen en beheren van de gezondheid en privacy van zijn patiënten moest houden. 

De uit meerdere delen bestaande Corpus Hippocraticum en de Eed van Hippocrates verhieven en scheidden de standaarden van het Hippocratische medische gedrag en de fundamentele medische en chirurgische principes van andere beoefenaars van volksgeneeskunde die vaak bestonden uit bijgelovige constructies. Verhandelingen uit het Corpus Hippocraticum omvatten; 'Over gewrichten', 'Over fracturen', 'Over de instrumenten voor amputatie', ‘Over de uitvoering van chirurgie door de arts’, ‘Over hoofdwonden’, ‘Over zweren’, ‘Over fistels’, en ‘Over aambeien’.


Herophilus van Chalcedon en Erasistratus van Ceo waren twee grote Alexandriërs die de basis hebben gelegd voor de wetenschappelijke studie van de anatomie en de fysiologie. Alexandrijnse chirurgen waren verantwoordelijk voor de ontwikkelingen in ligatuur (het afbinden van bloedvaten), hernia operaties, oogheelkundige chirurgie, plastische chirurgie, de wijze van behandeling van fracturen, tracheotomie (openen van de luchtpijp), en het gebruik van mandrake (de wortels van een plantenfamilie) voor de anesthesie. Het meeste van wat we van hen weten is afkomstig van Celsus en Galenus van Pergamon.


De verhandelingen van Galenus van Pergamun (130 – 210) genaamd: Over de Natuurlijke Faculteiten, Boeken I, II en III, zijn de belangrijke werken van deze zeer succesvolle Griekse chirurg en arts van de 2de eeuw van de Romeinse tijd, die zeer complexe chirurgische ingrepen uitvoerde en aanzienlijke bijdragen heeft geleverd aan de dierlijke en humane fysiologie en de kunst van het opereren. Hij was een van de eersten die ligaturen gebruikte in zijn experimenten met dieren.


Vervolgens hebben de oude Grieken een grote invloed gehad op de verdere ontwikkeling van de geneeskunde en de chirurgie. Griekse chirurgen baadden wonden in wijn. (De alcohol hielp om infectie te voorkomen). De Griekse arts Herophilus van Chalcedon (ca. 335-280 v.Chr.) voerde in het openbaar dissecties (ontledingen) van menselijke lichamen uit. Normaliter werden dierlijke lichamen onderzocht. Hij wordt soms de vader van de anatomie genoemd. Erasistratus van Ceos (ca. 304 - 250 v.Chr.) werd geroemd als geweldig anatoom.


Het Romeinse Rijk
In het Romeinse rijk werden de chirurgietechnieken gedomineerd door de ideeën van de Grieks/Romeinse arts Galenus van Pergamon (130 - 210). Zijn geneeskundig systeem domineerde de medische wetenschap bijna 1500 jaar lang!


China
In China zijn instrumenten gevonden die sterk lijken op chirurgische instrumenten, en dateren uit de bronstijd (de Shang Dynastie).

Hua Tuo (140 - 208) was een beroemde Chinese arts tijdens de Oostelijke Han en Drie Koninkrijken tijdperk. Hij wat de eerste die operaties uitvoerde met behulp van de anesthesie, zo'n 1600 jaar voordat het in Europa ingevoerd werd. Bian Que (Pien ch'iao) werd als een "wonderdokter" met vele vaardigheden beschreven door de Chinese historicus Sima Qian in zijn Shiji. Een ander boek, Liezi (Lieh Tzu), beschrijft Bian Que die een uitwisseling van harten tussen mensen uitvoert. Dit plaatst het concept van harttransplantatie dus terug naar ongeveer 300 na Christus.


Na de val van het Romeinse Rijk (rond 476) stonden in West Europa verdere ontwikkelingen op het gebied van de geneeskunde en de chirurgie, samen met andere ambachten, nagenoeg stil. Het verrichten van chirurgische ingrepen werd echter in het Byzantijnse rijk en in de Islamitische Wereld voortgezet. Na de val van Constantinopel (1453), keerden de verloren gegane kennis van de geneeskunde en de kennis van de chirurgische technieken weer terug naar West-Europa.

 

Chirurgie in de Middeleeuwen

Paul van Aegina (ca. 625 - ca. 690) een Byzantijns-Griekse arts, schreef een Epitomes iatrikes bibla hepta (een Medisch Compendium in Zeven Delen) welke – hoewel een compilatie van werken van eerdere schrijvers - van grote invloed is geweest. Abulcasis (936 - 1013) herhaalt later het materiaal grotendeels letterlijk.


Hunayn ibn Ishaq (809 - 873) was een Arabische Nestoriaans-Christelijke arts die vele Griekse medische en wetenschappelijke teksten, waaronder die van Galenus, vertaald heeft. Daarnaast heeft hij de eerste systematische verhandeling over de oogheelkunde geschreven.


Perzische arts Muhammad ibn Zakariya al-Razi (854 - 925), "de Islamitische Hippocrates" genoemd, ontwikkelde de experimentele geneeskunde, oogheelkunde en richtte de kindergeneeskunde op.


In de 9de eeuw werd de Medische School van Salerno in het zuidwesten van Italië opgericht, gebruik makend van Arabische teksten. Het maakte tot de 13e eeuw een periode van grote bloei door.


De in Egypte geboren Joodse arts Isaac Israëli ben Solomon (832 - 892) liet heel wat in het Arabisch geschreven medische werken na, die vertaald en overgenomen werden door de Europese universiteiten in het begin van de 13e eeuw.


Perzische arts Ali ibn Abbas al-Majusi (? - 994) werkte in het Al-Adudi Hospital in Bagdad, en liet Het Complete Boek van de Medische Kunst na, waarin de behoefte aan medische ethiek benadrukt wordt en gesproken wordt over de anatomie en fysiologie van het menselijk brein.


Abulcasis (Abu al-Qasim Khalaf ibn al-Abbas Al-Zahrawi; 936 - 1013) was een Andalusisch-Arabische arts en wetenschapper die in het Zahra district van Cordoba praktiseerde. Hij wordt beschouwd als een groot middeleeuws chirurg, hoewel hij weinig aan Griekse chirurgische technieken toegevoegd heeft. Zijn werken over de chirurgie waren zeer invloedrijk.


De Perzische arts Avicenna (980 - 1037) schreef het Canon van de Geneeskunde, een synthese van Griekse en Arabische geneeskundige werken die de Europese geneeskunde tot het midden van de 17e eeuw gedomineerd heeft.


De in Afrika geboren Italiaanse Benedictijner monnik Constantijn de Afrikaan (? - 1099) van Monte Cassino vertaalde veel Arabische medische werken in het Latijn.

 

Chirurgie in de 12e eeuw

De Spaanse moslim arts Avenzoar (1094 - 1162) voerde de eerste tracheotomie (openen van de luchtpijp) op een geit uit, en schreef het Boek van Vereenvoudigen over Therapie en Dieet, dat in Europa erg populair werd.


De Spaanse moslim arts Averroës (1126 - 1198) was de eerste die de functie van de retina (het netvlies) uit heeft gelegd. Ook herkende hij een verworven immuniteit (tegen pokken) door een eerder contact met pokken te hebben gehad.


In Europa waren universiteiten zoals die in Montpellier, Padua en Bologna zeer beroemd.


In de late 12e eeuw schreef Rogerius Salernitanus (1140 - 1195) zijn Chirurgia, waarmee hij de basis legde voor moderne westerse chirurgische handleidingen. Roland van Parma (1198 - 1240) en zijn Chirurgie van de Vier Meesters waren verantwoordelijk voor het verspreiden van Rogerius werk naar Italië, Frankrijk en Engeland. Rogerius lijkt meer te zijn beïnvloed door de 6e-eeuwse Aëtius en Alexander van Tralles, en de 7e-eeuwse Paulus van Aegina, dan door de Arabieren. Hugh van Lucca (1150 - 1257) stichtte de Bologna School en verwierp de theorie van het "lovenswaardige pus". Pus zou altijd uit de wond verwijderd moeten worden; “Ubi pus, ibi evacua” (waar etter zit, verwijderen).

 

Chirurgie in de 13e eeuw

In West-Europa ontstond in de 13e eeuw in steden een nieuw type ambachtsman; de barbier-chirurgijn. Ze knipten haar, schoren baarden, trokken tanden en ze verrichtten eenvoudige operaties, zoals amputaties en het zetten van gebroken botten. Dit terwijl ze een lagere status hadden dan universitair opgeleide artsen. 

 

Chirurgie in de 14e eeuw

Tegen 1308 floreerde de Worshipful Company of Barbers in Londen. Met weinig tot geen formele training hadden ze over het algemeen een slechte reputatie die niet zou verbeteren tot de ontwikkeling van de academische chirurgie als een specialisme van de geneeskunde.


Guy de Chauliac (1298 - 1368) was een van de meest vooraanstaande chirurgen in de Middeleeuwen. Zijn Chirurgia Magna (1363) was een standaardtekst voor chirurgen tot ver in de zeventiende eeuw.


Vanaf het midden van de 14e eeuw liet de Katholieke Kerk soms ontleding van menselijke lichamen op medische scholen toe. De ideeën van Galenus bleven de geneeskunde en de chirurgie domineren.

 

Chirurgie in de 15e eeuw

Leonardo Da Vinci (1452-1519) ontleedde enkele menselijke lichamen en maakte nauwkeurige tekeningen van wat hij zag.

 

Chirurgie in de 16e eeuw: het vroege moderne Europa

In deze periode werden er enkele belangrijke vorderingen op het gebied van de chirurgie gemaakt en werden de operatietechnieken iets geavanceerder. 

Het was echter de Brabantse arts en anatoom Andreas Vesalius (1514 - 1564), een van de grondleggers van de moderne chirurgie en een professor in Padua, die de manier waarop de menselijke anatomie werd begrepen volledig veranderde. Vóór dit punt was veel anatomische kennis gebaseerd op dissectie (ontleding) van dieren - de heersende methode. Toen dissectie van menselijke lichamen werd uitgevoerd, observeerden de artsen terwijl bedienden sneden. Vesalius was de eerste die de ‘hands-on’ benadering van de menselijke dissectie voorstelde voor artsen en chirurgen. Zijn studie van de menselijke anatomie gecorrigeerde de Griekse en Romeinse misvattingen die gebaseerd waren op dissectie van dieren. In 1543 publiceerde hij de baanbrekende boek Humani Corporis Fabrica Libri Septem (Zeven Boeken over de Bouw van het Menselijk Lichaam) dat de vele anatomische fouten in het werk van Galenus naar voren bracht en op dat moment de meest uitgebreide anatomietekst werd, welke de basis vormde voor meer dan 200 jaar anatomisch onderzoek.


Een andere grote chirurg uit die periode was Ambroise Paré (1510 - 1590) ), een Frans militair chirurg gedurende de jaren 1530 tot zijn dood in 1590. De praktijk voor het dichtschroeien van schotwonden op de slagveld was om gebruik te maken van kokende olie, een uiterst gevaarlijke en pijnlijke procedure. Echter, in 1536 tijdens het beleg van Turijn, bleef Pare verstoken van olie. Hij maakte een mengsel van eigeel, rozenolie en terpentijn en ontdekte dat het beter werkte dan olie. Daarnaast ontwierp Paré ook kunstmatige ledematen en beschreef hij meer efficiënte technieken voor de effectieve afbinding van bloedvaten tijdens een amputatie.


Nog een andere belangrijke vroege persoon was de Duitse chirurg Wilhelm Fabry (1540 - 1634), ‘de vader van de Duitse chirurgie’. Hij was de eerste die het verrichten van een amputatie aanbeval boven het laten bestaan van gangreneuze gebieden. Ook beschreef hij het aanleggen van een tourniquet met behulp van een draaiende stok. Zijn Zwitserse vrouw en assistent Marie Colinet (1560 - 1640) introduceerde verbeteringen van de technieken voor de Sectio Caesarea (keizersnede), en voerde het gebruik van warmte in voor het verwijden en het stimuleren van de baarmoeder tijdens de bevalling. In 1624 was zij de eerste om een magneet te gebruiken om metaal uit het oog van een patiënt te verwijderen, hoewel haar man hiervoor het krediet ontving (!).

 

Chirurgie in de 18e eeuw: wetenschappelijke chirurgie

De discipline van de chirurgie werd pas tijdens het tijdperk van de Verlichting in Europa (1715 - 1789) een solide wetenschappelijke basis gegeven. Een belangrijk figuur in dit opzicht was de Schotse chirurgische wetenschapper (in Londen) John Hunter (1728 - 1793), algemeen beschouwd als ‘de vader van moderne wetenschappelijke chirurgie’. Hij bracht een empirische en experimentele benadering van de chirurgische wetenschap en was in heel Europa beroemd om de kwaliteit van zijn onderzoek en zijn geschriften. Hunter reconstrueerde heelkundige kennis van de grond af; hij weigerde om op de getuigenissen van anderen te vertrouwen en voerde zijn eigen chirurgische experimenten uit om de waarheid van de zaak vast te stellen. Om vergelijkende analyses mogelijk te maken, bouwde hij een collectie van meer dan 13.000 exemplaren van de afzonderlijke orgaansystemen, van de eenvoudigste planten en dieren tot de mens.

Hunter heeft de kennis van geslachtsziekten sterk uitgebreid en introduceerde vele nieuwe chirurgische technieken, waaronder nieuwe methoden voor het herstellen van schade aan de achillespees en een meer effectieve methode voor het aanbrengen van ligaturen bij slagaders in het geval van een aneurysma (verwijding van een slagader). 

Hij was ook een van de eersten die het belang van pathologie begreep, het gevaar van de verspreiding van infecties en hoe het probleem van ontsteking van de wond, botlaesies en zelfs tuberculose vaak het voordeel van de chirurgische ingreep ongedaan maakte. Hij nam daarom het standpunt in dat alle chirurgische procedures alleen als laatste redmiddel moesten worden gebruikt.


Hunter's student Benjamin Bell (1749 - 1806) werd de eerste wetenschappelijke chirurg in Schotland, en pleitte voor het routinematig gebruik van opium in het post-operatieve herstel en adviseerde chirurgen om altijd ‘huid te redden’ om zo de genezing te versnellen.


Andere belangrijke 18e en vroege 19e-eeuwse chirurgen waren Percival Pott, Astley Paston Cooper, James Syme en Antonius Mathijsen. Percival Pott (1714 - 1788), die voor het eerst tuberculose op de wervelkolom beschreef en voor het eerst aantoonde dat een kanker veroorzaakt kan worden door blootstelling aan een kankerverwekkende stof in de omgeving, nadat hij een verband zag tussen de blootstelling van de schoorsteenveger aan roet en hun hoge incidentie van scrotumkanker. Astley Paston Cooper (1768 - 1841) voerde eerst een succesvolle ligatie (afbinding) van de abdominale aorta (grote lichaamsslagader in de buik) uit. James Syme (1799 - 1870) was een pionier van de Symes-amputatie van het enkelgewricht en voerde met succes de eerste heup-disarticulatie (verwijdering van het been van de heup) uit. De Nederlandse chirurg Antonius Mathijsen vond in 1851 te Parijs het gipsverband uit.


In 1792 creëerde een Fransman Dominique-Jean Larrey de eerste ambulancedienst voor gewonde mannen (!).

 

Chirurgie in de 19e eeuw: een ware revolutie

In de 19e eeuw werd de chirurgie enorm verbeterd door de ontdekking van anesthetica (verdovingsmiddelen) en de antiseptica (ontsmettingsmiddelen). Ze lieten daardoor veel ingewikkelder en langduriger operaties toe. 


Anaesthesie
Vanaf de jaren 1840 begon de chirurgie dramatisch van karakter te veranderen met de ontdekking van effectieve en praktische anesthetische chemicaliën zoals ether en chloroform. Vóór de komst van de anesthesie was chirurgie een traumatisch pijnlijke procedure en werden chirurgen aangemoedigd om zo snel mogelijk te zijn om het lijden van de patiënt tot een minimum te beperken. Dit betekende ook dat operaties grotendeels beperkt waren tot amputaties en externe groeiverwijderingen.


Al in 1799 besefte uitvinder Humphry Davy (1778-1829) dat het inademen van ether pijn verlichtte. Helaas gingen tientallen jaren voorbij voordat het door de Amerikaanse chirurg Crawford Williamson Lange (1815 - 1878) in 1842 als een verdovingsmiddel werd gebruikt.


James Young Simpson (1811 - 1870), hoogleraar verloskunde aan de Universiteit van Edinburgh, begon in 1847 tijdens operaties chloroform te gebruiken.


In Engeland experimenteerde John Snow (1813 - 1858), arts van koningin Victoria, ermee waarbij hij haar in 1853 tijdens de bevalling chloroform toediende.


In 1884 werd cocaïne gebruikt als lokaal anestheticum. Vanaf 1905 werd Novocain gebruikt.


Naast het verlichten van het lijden van de patiënt, maakte anesthesie meer ingewikkelde operaties mogelijk in de dieperliggende gebieden van het menselijk lichaam. Daarnaast heeft de ontdekking van spierverslappers zoals curare de chirurgische mogelijkheden verder verbeterd.


Antiseptische chirurgie
De introductie van anesthetica moedigde het verrichten van meer chirurgie aan, wat onbedoeld gevaarlijkere post-operatieve infecties bij de patiënt veroorzaakte. Het concept van infectie was onbekend tot relatief moderne tijden. De eerste vooruitgang in de bestrijding van infecties werd in 1847 gemaakt door de Hongaarse arts Ignaz Semmelweis, die opmerkte dat medische studenten die vers uit de ontleedkamer kwamen, teveel sterfte onder pas bevallen vrouwen veroorzaakten in vergelijking met verloskundigen. Semmelweis introduceerde, ondanks spot en tegenstand, het verplichte handenwassen voor iedereen die de gynaecologische afdelingen betrad en werd beloond met een sterke afname in de sterfte van zowel vouwen als baby’s, maar de Royal Society wees zijn advies af!


In 1865 ontdekte Joseph Lister (1827 - 1912) de antiseptische chirurgie, waardoor chirurgen veel meer gecompliceerde operaties konden uitvoeren. Lister voorkwam infectie door tijdens de operatie carbolzuur over de instrumenten en de patiënt te spuiten. Tot het baanbrekende werk van de Britse chirurg Joseph Lister in de jaren 1860, geloofden de meeste medische medici dat ‘blootstelling aan slechte lucht’ verantwoordelijk was voor het ontstaan van infecties in wonden, en faciliteiten voor het wassen van handen of de wonden van een patiënt waren niet beschikbaar.


Lister werd zich bewust van het werk van de Franse chemicus Louis Pasteur (1822 - 1895), die aantoonde dat rotting en fermentatie kunnen optreden als micro-organismen aanwezig waren.

Pasteur stelde drie methoden voor om de micro-organismen die verantwoordelijk zijn voor gangreen te verwijderen: 

  • filtratie
  • blootstelling aan warmte of 
  • blootstelling aan chemische oplossingen 

Lister bevestigde de conclusies van Pasteur met zijn eigen experimenten en besloot zijn bevindingen te gebruiken om antiseptische technieken voor wonden te ontwikkelen. Omdat de eerste twee door Pasteur gesuggereerde methoden ongeschikt waren voor de behandeling van menselijk weefsel, experimenteerde Lister met het derde en sproeide carbolzuur op zijn instrumenten. Hij vond dat dit de incidentie van gangreen opmerkelijk verminderde en publiceerde zijn resultaten in het artikel Antiseptic Principle of the Practice of Surgery in The Lancet en later, augustus 1867, in The British Medical Journal. Zijn werk was baanbrekend en legde de basis voor een snelle vooruitgang op het gebied van infectiebeheersing, waarbij binnen 50 jaar moderne antiseptische operatiekamers op grote schaal werden gebruikt!

 

Steriele chirurgie
Lister ging door met het ontwikkelen van verbeterde antisepsis- en asepsismethoden toen hij zich realiseerde dat infectie beter kon worden vermeden door te voorkomen dat bacteriën in de eerste plaats in wonden terechtkomen. Dit leidde tot de opkomst van de steriele chirurgie. Lister gaf chirurgen de opdracht om schone handschoenen te dragen en hun handen te wassen in 5% carboloplossing - voor en na operaties - en liet chirurgische instrumenten in dezelfde oplossing wassen. Hij introduceerde ook de stoomsterilisator om apparatuur te steriliseren. Zijn ontdekkingen baanden de weg voor een dramatische uitbreiding van de capaciteiten van de chirurg; voor zijn bijdragen wordt hij vaak beschouwd als ‘de vader van de moderne chirurgie’. 


Duitse chirurgen ontwikkelden een nog betere methode. De handen en kleding van de chirurgen werden vóór de operatie gesteriliseerd en chirurgische instrumenten werden met superverhitte stoom gesteriliseerd.


In de late 19e eeuw legde William Stewart Halstead (1852 - 1922) de basis chirurgische principes vast voor asepsis, bekend als Halsteads-principes. Halsted introduceerde ook de latex medische handschoen. Nadat een van zijn verpleegsters huidschade had geleden door het moeten steriliseren van haar handen met carbolzuur, ontwikkelde Halsted een latex handschoen die in carbolzuur kon worden gedoopt.


In 1883 verwijderde Robert Lawson Tait de eileider van een vrouw met een buitenbaarmoederlijke zwangerschap, wat haar leven redde. Deze ingreep was alleen mogelijk door de bovengenoemde revolutionaire ontwikkelingen binnen de chirurgische praktijk.


Het gebruik van röntgenstralen (x-stralen) als een belangrijk medisch diagnostisch hulpmiddel begon met hun ontdekking in 1895 door de Duitse natuurkundige Wilhelm Röntgen. Hij merkte op dat deze stralen de huid konden binnendringen, waardoor de skeletstructuur op een speciaal behandelde fotografische plaat kon worden gevangen. Dit heeft grote voordelen voor de geneeskunde opgeleverd.


In 1896 werd de eerste succesvolle hartchirurgie zonder complicaties uitgevoerd door de Duitse chirurg Ludwig Rehn (1849 - 1930). Een steekwond in de spier van de rechter hartkamer wordt gedicht.


Drie cruciale stappen als basis
In deze uiterst belangrijke periode werden de stappen gezet die de basis hebben gelegd voor de moderne invasieve chirurgische technieken van vandaag. De drie cruciale stappen zijn: 

  • de goedkeuring van een wetenschappelijke methode voor chirurgische operaties
  • het gebruik van anesthesie 
  • de introductie van gesteriliseerde apparatuur

Daaraan kan nog toegevoegd worden:

  • het stelpen van bloedingen en het aanvullen van bloedverlies middels bloedtransfusie

 

Chirurgie in de 20e eeuw: moderne ontwikkelingen

In de 20e eeuw heeft een aantal technologieën een significante impact op de chirurgische praktijk gehad. Deze omvatten elektrochirurgie in het begin van de 20e eeuw, praktische endoscopie vanaf de jaren zestig en laserchirurgie, computergestuurde chirurgie en robotische chirurgie, ontwikkeld in de jaren tachtig van de vorige eeuw. De meest ingewikkelde ingrepen betroffen die op het brein en het hart. Beide procedures ontwikkelden zich snel.


De eerste harttransplantatie werd in 1967 uitgevoerd door de Zuid-Afrikaanse chirurg Christiaan Barnard (1922-2001). Het eerste kunstmatige hart, de Jarvik-7, werd in 1982 geïnstalleerd. De eerste hart- en longtransplantatie werd in 1987 uitgevoerd.


Ondertussen werd de eerste niertransplantatie in 1950 uitgevoerd door Richard Lawler.


In 1960 werd de laser uitgevonden en in 1964 werd deze voor het eerst gebruikt in de oogchirurgie.


In 1962 werd de eerste heupvervangingsoperatie door Sir John Charnley verricht.


In de late 20e eeuw was een van de meest opwindende ontwikkelingen in de chirurgie de ontwikkeling van de kijkoperatie-procedure (een minimaal invasieve techniek). 

 

Chirurgie in de 21e eeuw: steeds complexer

In de 21e eeuw bleven de ontwikkelingen binnen de chirurgie elkaar in een razend tempo opvolgen.


In 2000 werd door de FDA (Amerikaanse Food and Drug Administration) het da Vinci Chirurgisch Systeem (robotchirurgisch systeem) goedgekeurd. Het systeem wordt nu gebruikt in een breed scala van procedures, waaronder prostaatoperaties en coronaire bypass operaties.


In 2001  wordt het eerste onafhankelijke kunstmatige hart, AbioCor, in gebruik genomen. En in 2003  wordt de eerste operatie op afstand, met behulp van het ZEUS-robotchirurgisch systeem, uitgevoerd.


In 2005 werd de eerste gedeeltelijke gezichtstransplantatie uitgevoerd door de Franse chirurg Jean-Michel Dubernard et al. De eerste beentransplantatie vond plaats in 2011 en de eerste baarmoedertransplantatie werd uitgevoerd in 2012.


In 2008 werd voor het eerst een laser gebruikt in kijkoperatie om een hersentumor te behandelen.


Tegenwoordig bestaat er een grote hoeveelheid aan chirurgische technieken en kunnen ze vaak op minimaal invasieve wijze verricht worden. Dit heeft de hersteltijden verkort, de resultaten verbeterd en het optreden van complicaties bij de meeste patiënten drastisch verminderd.
 

Onze website maakt gebruik van cookies. Als u de website blijft gebruiken, gaat u hiermee akkoord.

Meer te weten komenOK