Spieren

De motoren van ons lichaam

 

Het menselijk lichaam telt meer dan 650 spieren, waarvan alleen al 50 in ons gezicht. Samen met de botten , gewrichten , pezen en ligamenten vormen ze het menselijk bewegingsapparaat. Spieren worden in principe gebruikt om delen van het lichaam te laten bewegen. Maar spieren worden niet alleen gebruikt om botten te laten bewegen; ze werken ook in organen zoals het hart of de longen.

 

Welke soorten spieren zijn er?

In het menselijk lichaam onderscheidt men het "dwarsgestreepte" en het "gladde" spierweefsel. Dit omdat onder de microscoop bezien, de ene groep spiervezels dwars op de lengterichting van de spier verlopende strepen vertoonde, en de andere groep niet. Dwarsgestreepte spieren zijn als skeletspieren en als hartspier actief, terwijl de gladde spieren bijvoorbeeld betrokken zijn bij de spijsvertering. Pezen verbinden spieren met onze botten en kunnen worden gecontroleerd door zenuwimpulsen. Ze krijgen zo de opdracht om samen te trekken (contracteren) of te ontspannen (relaxeren). Bij een glimlach zijn bijvoorbeeld zo’n 17 spieren betrokken. Om handen en vingers te bewegen, hebben we ongeveer 30 verschillende spieren nodig.

De grootste spier in het menselijk lichaam is de grote bilspier (musculus gluteus maximus), Deze regelt de beweging van onze benen. Met een grootte van slechts 0,3 millimeter is een spiertje in ons middenoor (musculus stapedius) het kleinst.

Een spier bestaat uit verschillende spierbundels, die op hun beurt opgebouwd zijn uit spiervezels, die weer spiercellen bevatten. Bij mannen maakt de spier ongeveer 40-60 procent van het lichaamsgewicht uit - het lichaamsgewicht van de vrouw wordt slechts voor 30-40 procent door de spieren bepaald. Met toenemende leeftijd neemt dit aandeel voor zowel vrouwen als mannen af. Dan worden - vooral in het gebied van de benen - spieren afgebroken. Daarom moeten we speciale aandacht aan onze spieren besteden.

 

Spieren – de motoren in ons lichaam

Hoe werken spieren?

Om een spier te kunnen bewegen, vindt er in het lichaam een complex proces plaats. Een beweging betekent altijd dat kleine spiercellen samentrekken (contraheren) of ontspannen (relaxeren). Deze beweging gaat, beginnend vanaf die kleine spiercellen, via de spiervezels en spierbundels, tot aan het einde waarbij de hele spier beweegt. Elke spier in ons lichaam oefent een bepaalde vorm van beweging uit in een bepaalde richting. Daarom hebben ze altijd een "tegenstander" (antagonist) die de beweging in precies de andere richting stuurt. De biceps (musculus biceps brachii) en de triceps (musculus triceps brachii) als tegenstanders in de bovenarm, die buigen en strekken, zijn daar een goed voorbeeld van. Spieren die het tegenovergestelde doen worden ook wel antagonisten genoemd. Deze spieren antagoneren elkaar.

Samen zijn ze sterk - door de gecombineerde arbeid van vele duizenden spiercellen kan de spier zijn volledige potentieel benutten. Om bijvoorbeeld de onderarm onder een hoek t.o.v. de bovenarm te kunnen plaatsen, moet de biceps eerst samentrekken (contraheren). Met behulp van pezen is de biceps zowel aan de bovenkant van de schouder als aan de bovenkant van het bot van de onderarm bevestigd. Door de spier samen te laten trekken, bewegen de twee botten naar elkaar toe en wordt het ellebooggewricht gebogen. Tegelijkertijd moet de antagonist van deze spier, de triceps dus, ontspannen (gerelaxeerd) zijn.

Spierarbeid vereist veel energie. Ongeveer 25 procent van de gebruikte energie wordt benut voor de mechanische beweging, de resterende 75 procent van de energie wordt omgezet in warmte. Denk hierbij maar aan het bibberen van de kou. Hierbij worden de spieren aan het werk gezet, niet zozeer om te bibberen, maar juist om warmte op te wekken. Spieren stellen ons niet alleen in staat om te ademen, ons hart te laten kloppen en ons warmte te geven, maar uiteindelijk danken we onze activiteit in het dagelijks leven aan hen - ze zijn onze aandrijving, de motor van het lichaam.

 

Spieren maken beweging mogelijk

Proprioceptie

Informatie over spieren kan nooit compleet zijn zonder proprioceptie te bespreken. Proprioceptie of positiezin (ook wel kinesthesie genoemd) is het vermogen om de positie van het eigen lichaam en lichaamsdelen waar te nemen. Het woord proprioceptie komt van de Latijnse woorden proprius (de juiste) en perceptio (waarneming).

Bij een wens om te gaan bewegen, gaat er vanuit de hersenen - via motorische zenuwen - een ‘bevel’ naar de betreffende spieren. Voor controle en regeling van het antwoord van die spieren gaat via sensibele zenuwen een terugkoppeling over de positie van die spieren en omliggende onderdelen van het bewegingsapparaat terug naar de hersenen (de z.g.n. proprioceptieve signalen).

Deze proprioceptieve signalen worden gegeven door de zogenaamde mechanoreceptoren gelegen in spieren en gewrichten. Zo meten de spierspoeltjes de spierlengte; de Golgi peeslichaampjes meten de spierkracht en de gewrichtsreceptoren meten de gewrichtshoek.

Proprioceptieve waarneming verschaft ons daarmee informatie over het eigen lichaam, zoals de stand, beweging en spierspanning van de ledematen, gewrichten en pezen, het gevoel van "zwaarte" in sommige lichaamsdelen, en vermoeidheid of alertheid van de spieren. Proprioceptieve waarneming speelt dus een belangrijke rol in de opbouw van het lichaamsbesef, en maakt terugkoppeling van de lichaamspositie naar het centrale zenuwstelsel mogelijk. Dit is uiterst belangrijk voor een goede motoriek! Juist om deze reden kan het gebruik van bandages  dus de proprioceptieve waarneming versterken (men is zich beter bewust van het betreffende lichaamsdeel of gewricht) en daardoor de motoriek verbeteren.

 

  Botten         Gewrichten         Pezen en banden

Om evenwicht te kunnen bewaren is een goede proprioceptie onontbeerlijk

Onze website maakt gebruik van cookies. Als u de website blijft gebruiken, gaat u hiermee akkoord.

Meer te weten komenOK